Willem Schull, een schipper met grote schulden


Op 19 december 1739 tekende Willem Schull, de schipper van de Hogersmilde, bij notaris Isaak Angelkot een obligatie, waarbij hij verklaarde 1560 guldens schuldig te zijn aan Daniel Camerling, een rijke rentenier. [1] Willem Schull stond op het punt om met de Hogersmilde naar Indië te vertrekken. Zoals zoveel van zijn VOC-collega's leende hij vlak voor vertrek een groot bedrag om handelswaar te kopen voor zijn privéhandel in Indië of om mee te smokkelen naar Indië om er daar goederen mee te kopen. De lening van 1560 guldens kwam overeen met twee keer zijn jaarsalaris, een flink bedrag.

Willem Schull vond dat echter niet genoeg. Vier dagen later zat hij weer bij notaris Angelkot, nu voor een lening van 2600 guldens van Eli Lusak, rechtsgeleerde, schrijver en boekverkoper te Noordwijk. [2] En dat gebeurde in de volgende twee weken nog vier keer, zij het bij andere notarissen en met andere geldschieters. [3] Zo sloot hij zes geldleningen af van in totaal 12.960 gulden. Ook ging hij op 5 januari bij notaris Gerard Burghout langs, waar hij een testament liet opmaken. [4] Hij legateerde 2.500 gulden aan " juffrouw Sibilla de Visser, meerderjarige dochter, met de welke hij voornemens is kort na sijne terugkomste sig in de huwelijken staat te begeven" en benoemde verder zijn broer Wouter Schull en zijn zussen Anna Geertuijd en Magdalena Schull tot zijn enige erfgenamen. Daarna vertrok Willem Schull begin januari 1740 naar de rede van Texel - waar de Hogersmilde op hem lag te wachten.

De Hogersmilde zou in de eerste weken van januari vertrekken zodra de wind gunstig stond, maar daar kwam het helaas niet van. In januari 1740 en de daaropvolgende maanden ging het hele land gebukt onder een extreme kou. De wateren vroren dicht, brandhout werd schaars en de voedselvoorziening raakte in de problemen. Ook op de rede van Texel liet de kou zich voelen. Vier VOC-schepen konden op 8 januari nog net vertrekken, andere schepen - waaronder de Hogersmilde - raakten vastgevroren en werden zwaar beschadigd door het kruiende ijs. Van vertrekken was geen sprake. Pas op 8 mei 1740 vertrok Willem Schull naar Indië met de Wapen van Hoorn als vervangend schip, dat overigens om verwarring te voorkomen in Hogersmilde werd omgedoopt.

De bemanning van de Hogersmilde die begin januari in Texel al klaar stond om te vertrekken, heeft dus vier maanden moeten wachten tot het echt zover was. Hoe ze die tijd hebben doorgebracht, is niet bekend. Wel is het duidelijk dat Willem Schull intussen weer naar Amsterdam is teruggegaan. Op 25, 26 en 28 april 1740 bezocht hij de notarissen Salomon Dorper en Jan Ardinois om nog eens vier geldleningen aan te gaan van tezamen 5200 gulden. [5]

De reis naar Indië verliep moeizaam, met veel doden, zieken en tegenslag, [6] maar op 28 mei 1741 kwamen ze toch in Batavia aan. Na het nodige onderhoud en reparaties zeilde de Hogersmilde met Willem Schull op 15 augustus door naar Ceylon om daar goederen in te laden die naar het vaderland moesten worden gebracht. Volgeladen vertrok de Hogersmilde vervolgens op 27 januari 1742 van Ceylon naar Texel, maar Willem Schull heeft dat niet mogen meemaken. Kort daarvoor op 21 december 1741 overleed hij in Gale op Ceylon. In het scheepssoldijboek staat de waarde van zijn nalatenschap vermeld als 55.145 gulden, 10 stuivers en 3 penningen. [7] De VOC keerde daarvan ruim 44.000 gulden (80%) uit aan zijn erfgenamen. Zoals gebruikelijk hield de VOC 20% voor zichzelf.

De erfenis bedroeg voor elk van de drie erfgenamen ogenschijnlijk dus een flink bedrag, maar de afwikkeling ervan leidde tot een heel andere uitkomst. Willem Schull bleek enorme schulden te hebben, ruim 60.000 gulden bij in totaal 28 crediteuren. De erfgenamen wilden deze erfenis niet aanvaarden en machtigden drie personen om namens hen te onderhandelen met de schuldeisers. [8] Dat leidde op 11 maart 1744 tot een aktekte van conventie waarbij de erfgenamen afstand deden van hun erfenis en ieder f 1500 kregen, en waarbij de rest naar rato werd verdeeld onder de crediteuren. [9] Saillant detail is dat ook Sibilla de Visser, inmiddels getrouwd met Pieter Ooms, in een akte op 17 maart 1744 verklaarde 'om goede redenen haar daartoe moverende' afstand te doen van het legaat van 2500 gulden dat haar in het testament van Willem Schull was toegekend [10]. Zo kregen de schuldeisers uiteindelijk op 26 mei 1744 68,25% van hun claim terug. [11]

Notaris Salomon Dorper heeft het er maar druk mee gehad. Voor de hele afhandeling van de erfenis heeft hij dertien akten opgemaakt: procuraties, verklaringen, akten van conventie en kwitanties.

[1] Stadsarchief Amsterdam (SAA), arch. 5075, inv. nr. 8539, akte 715.

[2] SAA, arch. 5075, inv. nr. 8539, akte 722

[3] SAA, arch. 5075, inv. nrs. 7685, akte 559 en 565, inv. nr. 7686, akte 8 en inv. Nr. 8540, akte 22.

[4] SAA, arch. 5075, inv. nr. 7877, akte 705.

[5] SAA, arch. 5075, inv. nr. 10701, akte 103, inv. nr. 9149, akten 301, 309, 310.

[6] Leydsche Courant 1 maart 1741.

[7] Nationaal Archief (NA), toegang 1.04.02, inv. nr. 6113, fol. 1.

[8] SAA, arch. 5075, inv. nr. 10707, akte 424.

[9] SAA, arch. 5075, inv. nr. 10711, akte 163.

[10] SAA, arch. 5075, inv. nr. 10711, akte 99.

[11] SAA, arch. 5075, inv. nr. 10711, akte 200.

Tags

VOC18e eeuw
Deel artikel

     
Geplaatst op

23 januari 2020
Auteur

Els Vermij en Willem-Jan van Grondelle
Bron

   Obligatie, 19 december 1739
Tags

VOC18e eeuw
Gerelateerd

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen