‘So swart als pek’: een raadselachtige dood


Op 17 februari 1720 verschijnen voor Jan de Vicq Junior een paar vrouwen: Engeltje Gerrits en Margareta Borchorst. Zij willen een attestatie afleggen voor hun vriendin en zus Joanna Borchorst, die sinds augustus 1719 getrouwd is met broodbakker Gerrit te Pas.

De twee vrouwen blikken terug naar november 1719 en vertellen het treurige verhaal van Joanna. Zij hebben namelijk gezien en gehoord dat Gerrit zijn vrouw heeft uitgescholden zonder enige aanleiding en uiteindelijk zelfs een koperen tang uit de schoorsteen heeft gepakt om zijn vrouw te slaan. Engeltje verklaart dat ze op dat moment tussen beiden gekomen is, waarmee zij heeft kunnen voorkomen dat de klappen Joanna raakten.

Hierna toont Gerrit nog steeds geen berouw, maar dreigt hij: 'Dit is nu maar een begin, en ik zal haar wel op een andere kam scheeren, want ik wil de huwelijcxe voorwaarden gebroken hebben.' Joanna, die tevens zwanger is, besluit hierna te vluchten naar het huis van haar zus en tweede getuige Margareta. Daar geeft Joanna droevig aan dat ze niet meer naar huis durft te gaan, omdat haar man gedreigd heeft haar nek te breken. Als gevolg schrijft ze een briefje aan de 'Regter' waarin ze haar situatie uitlegt; haar lot ligt in de handen van de rechtspraak.

Twee maanden later, op 8 januari 1720 om 16:30 uur, komt Joanna uit de Nieuwe Kerk op de Dam. Daar ziet ze haar man uit het stadhuis lopen. Voordat ze weet wat haar overkomt wordt ze midden op de Dam 'geattacqueert' en is ze met een gevolg van honderden mensen naar het huis van Gerrit in de Laurierstraat gesleept en getrokken. Volgens de getuigen is Joanna hierbij niet in staat om zichzelf te kunnen verweren of een woord te kunnen spreken.

Hier houdt de attestatie van Engeltje Gerrits en Margareta Borchorst op, maar het verhaal van Joanna en Gerrit gaat verder.

Op 27 juni 1720 verschijnt de naam Gerrit te Pas in de confessieboeken; de Schout en Schepenen hebben van het eerdere briefje dus werk gemaakt. In dit verhoor wordt duidelijk dat Joanna inmiddels overleden is en dat Gerrit een aanvaring heeft gehad met Margareta Borchorst, zijn schoonzus. Zij kwam namelijk een paar dagen voor het verhoor langs, samen met twee andere vrouwen en een man, om de spullen van haar zus op te halen. Dit valt bij Gerrit niet in goede aarde, want hij schijnt het gezelschap met scheldwoorden en later zelfs met stenen belaagd te hebben.

In dit zelfde verhoor wordt aan Gerrit gevraagd of hij Joanna gedwongen heeft om de huwelijkse voorwaarden te ondertekenen. Hij geeft aan dat zij dit in volle vrijwilligheid gedaan heeft. Ook wordt hij ervan verdacht dat hij Joanna een briefje heeft laten ondertekenen waarin zij aangeeft dat Gerrit recht heeft op haar zilver en goud. Wederom geeft hij aan dat er van dwang geen sprake was. De mensen die bij hem langs waren gekomen om de spullen van Joanna op te halen, zeggen echter dat dit wel het geval was. Hiermee wordt het verhoor afgesloten.

Toch is Gerrit de dans nog niet ontsprongen, want op 2 juli 1720 wordt hij weer aan de tand gevoeld. Hier wordt verwezen naar de gebeurtenissen in de eerder genoemde attestatie van Engeltje Gerrits en Margareta Borchorst op 17 februari 1720. Gerrit ontkent alles met een stellige 'neen' en laat weten dat hij en zijn vrouw nooit ruzie hebben gehad. Hij geeft zelfs aan dat Joanna vrijwillig naar zijn huis is gegaan en dus nooit meegesleurd is vanaf de Dam.

Dit verhoor gaat echter verder dan de attestatie van 17 februari 1720, want Gerrit wordt gevraagd of hij zijn buren heeft omgekocht met gratis brood. Als vergoeding zouden zijn buren hem moeten helpen als zijn schoonzus en haar gevolg op de stoep zouden verschijnen om de spullen van Joanna op te halen. Waarmee ze precies zouden moeten helpen, is niet duidelijk, maar de intentie lijkt niet goed. Gerrit weigert vooralsnog te bekennen.

Het bewijs blijft zich daarentegen opstapelen, want tijdens dit verhoor worden de verklaringen van chirurgijns en dokters meegenomen. Zij geven namelijk aan dat zij het dode lichaam van Joanna in ernstige toestand aantroffen: het lichaam was volledig 'root van coleur', behalve haar buik, die al afgestorven was en 'so swart als pek' zag. Het kind had het ook niet overleefd en met afschuw laten de chirurgijns en dokters weten dat ze 'het selve noijt gesien te hebben'. Het wordt dan duidelijk dat een grondig onderzoek naar de doodsoorzaak van Joanna heeft plaatsgevonden, aangezien de chirurgijns en dokters al op 19 maart 1720 een verklaring afgegeven hebben, terwijl Joanna pas op 13 juli 1720 begraven wordt. Gerrit laat zich hierdoor niet intimideren en geeft aan dat hij zijn vrouw niet geslagen heeft en dus ook niet schuldig is.

Waarschijnlijk hebben zijn stellige ontkenningen Gerrit behoed voor de strop, maar zijn acties hadden wel andere gevolgen: op 4 juli 1720 krijgt hij te horen dat hij voor tien jaar verbannen wordt. Hij moet zijn biezen pakken en vertrekken. Toch blijkt de straf niet erg definitief, want acht jaar later duikt hij weer op in de archieven: hij is in ondertrouw gegaan met Sara Falant. Of zij zich bewust is van het schimmige verleden van Gerrit is niet bekend, maar ze heeft haar man wel overleefd. Op 2 januari 1762 eindigt het verhaal van Gerrit te Pas, ongeveer 42 jaar nadat Joanna en haar kind overleden waren.

Deel artikel

     
Geplaatst op

16 januari 2020
Auteur

Micaela Cabrita da Palma
Bron

   Attestatie bij notaris Jan de Vicq Junior, 17 februari 1720
Gerelateerd

Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen